PREVENTIE VAN ALLERGIEËN

 

Als we praten over preventie van allergie, dan wordt daar mee bedoeld het voorkómen van de ontwikkeling van allergie, om het even welke allergie: allergisch eczeem, allergisch astma, voedselallergie, hooikoorts, etc.

 

De Gezondheidsraad heeft na rijp beraad en gezien de wetenschappelijke onderbouwing het adviesbeleid voor preventie van allergische aandoeningen in 2009 aangepast en bestaat op dit moment alleen uit:

  • borstvoeding gedurende minimaal 4 tot 6 maanden

  • en niet roken tijdens de zwangerschap en in de nabijheid van de baby.

 

Hoewel er relatief weinig gegevens beschikbaar zijn, laten meerdere studies een preventief effect zien van het geven van borstvoeding tijdens de lactatieperiode, gedurende minstens 3 - 6 maanden.

Onduidelijk is nog of het houden van een dieet door de borstvoeding gevende moeder een aanvullende waarde heeft.
Dit dieet dient dan vrij te zijn van noten, pinda, koemelk, kippenei, vis en schaaldieren.

 

Men adviseert zo'n dieet in het geval van "high-risk baby's", dus zuigelingen met een sterk verhoogd risico op het ontwikkelen van een allergie, bijvoorbeeld doordat beide ouders een allergie hebben of als er al broertjes of zusjes zijn die allergisch zijn.
Wanneer het geven van borstvoeding niet mogelijk is, kan als alternatief een hypoallergene melkvoeding worden gegeven tot de leeftijd van een jaar. Dit wordt niet altijd door de verzekering vergoed.
Het starten van bijvoeding begint bij voorkeur niet voor de leeftijd van 6 maanden.

Overigens lijken bovengenoemde preventieve maatregelen vooral een gunstig effect te hebben op het voorkomen van een voedselallergie op de zuigelingenleeftijd en vooralsnog niet op het ontwikkelen van allergische symptomen op latere leeftijd. 

(Passief) roken verhoogt de kans op ontwikkeling van een allergie en dient altijd te worden vermeden.