PROVOCATIETEST

 

Omdat de diagnose van allergische aandoeningen nogal complex is en met name in de eerste lijnhulpverlening (huisartsen, consultatiebureauartsen, maar ook het Spoedeisende Hulppersoneel) een probleem kan zijn heeft het NAN de onderstaande informatie bijeen vergaard, uit publicaties in verschillende mondiale medische tijdschriften en websites van de farmaceutische industrie die zich bezig houden met diagnose van allergieën, voor de allergische patiënt.  Met deze informatie bent u beter onderlegd om de uitleg van de arts te begrijpen, maar mocht er de onderstaande informatie zaken staan die u niet geheel begrijpt, aarzel dan niet om contact op te nemen met uw behandelend arts en laat hem u het uitleggen!! (of neem contact met het NAN op).

 

Voedsel Provocatie Testen

Op momenten dat een reactie op voedsel wordt vermoed, kan een voedselprovocatietest uitgevoerd worden. De test kan open zijn, waarin zowel de arts als de patiënt weten wat de ingenomen stof bevat, of enkel geblindeerd, waarbij de arts, als enige, de samenstelling weet van hetgeen gegeten wordt, of dubbel blind placebo gecontroleerd , waarbij noch de arts noch de patiënt weet wanneer wat gegeten wordt.

 

Deze Dubbel Blinde Placebo Gecontroleerde Voedsel Test (DBPCFC) wordt beschouwd als de “Gouden Standaard” bij de diagnose van IgE gemedieerde (echte) voedselallergie.

 

De voedselprovocatietest is altijd maar een moment opname. In het algemeen kan er geen voorspellende waarde gehecht worden aan de uitslag van de provocatietest. De voorspellende waarde die wel hieraan gehecht kan worden is dat hoe lager de dosis is waarop men reageert des te ernstiger zal een eventuele reactie zijn. 

In geval van voormalige klachten waarbij in een latere fase bij hernieuwd testen zowel de RASTest als de huidtesten negatief zijn én een ondergane voedselprovocatietest ook negatief is, kan men niet zonder meer zeggen dat de allergie overgroeit is. Eerst zal (onder begeleiding) gefaseerd het allergeen weer geïntroduceerd moeten worden in het dagelijkse dieet. Als na enige tijd (ca. 6 maanden), het allergeen, dat voorheen klachten gaf, in het normale dagelijkse consumptiepatroon is opgenomen, en er geen klachten zijn ontstaan, dan pas kan men zeggen dat men over die allergie heen gegroeid is.

 

Indicaties voor DBPCFC:

• Wetenschappelijk Onderzoek

• Chronische aandoeningen zoals astma en eczeem wanneer voedsel wordt verdacht

• Er vermoed wordt dat er meervoudige voedselallergieën zijn

• Situaties wanneer de perceptie van de patiënt de juiste vaststelling van symptomen beïnvloedt (bijv. subjectieve klachten zoals buikpijnen en hoofdpijnen)


Patiënten met een achtergrond van levensbedreigende anafylaxis dienen alleen! geprovoceerd te moeten worden wanneer de veroorzakende stof niet vastgesteld kan worden door de anamnese, huidtest en RASTest of wanneer er vermoed wordt (door testen) dat de allergie is “overgroeid”!!!
 

De keuze van voedsel die getest moet worden, door orale uitlokking, wordt bepaald door de historie, huidpriktestresultaten of RASTestresultaten.

Voedsel dat een positieve uitslag van de SPT of RASTest heeft gegeven, maar waarvan het niet waarschijnlijk is dat er door voedselgeïnduceerde provocaties klachten worden opgeroepen, kunnen uitgezocht worden voor een open provocatie test.

 

Uitvoeren van Voedsel Provocaties:

• Moeten alleen uitgevoerd worden in klinieken of ziekenhuizen waar reanimatie apparatuur en ervaren personeel aanwezig is.

• Verdachte voedselallergenen moeten vermeden worden gedurende 7 tot 14 dagen vóór de provocatietest bij IgE-gemediëerde aandoeningen en tot wel 12 weken bij gastrolintestinale aandoeningen

• Antihistaminen moeten 72 uur van te voren gestopt worden en andere medicijnen geminimaliseerd.

• Bij sommige personen met astma kunnen korte kuren met steroïden nodig zijn om de voorspelde FEV1 waarde > 70% te krijgen

• Het voedsel kan geheel toegediend worden (verborgen in kinderformulae of gepureerd) of in een gevriesdroogde geprepareerde ondoorzichtige capsule.

• Bij verwachte IgE gemediëerde reacties wordt elke 15 tot 60 minuten de voedseldosis verdubbeld

• Wanneer 10 gram gevriesdroogd voedsel wordt getolereerd, zal klinische reactiviteit waarschijnlijk uitgesloten kunnen worden.

• Negatieve blinde provocatie moet altijd gevolgd worden door een open provocatie onder strikte observatie.

• Na een negatieve open provocatie moet een plan worden opgesteld op welke wijze, in welke hoeveelheid en over welke periode het allergeen weer geïntroduceerd wordt in het dagelijkse menu tot dat aangetoond is dat ook over langere periode er geen klachten ontstaan door het allergeen.

• Bij niet-IgE-gemedieerde aandoeningen kan het zijn dat provocaties over een periode van 2-3 dagen gegeven wordt.

De evaluatie van vele “vertraagde of uitgestelde” reacties (bijv. de meeste IgE-negatieve gastro-intestinele allergieën) kunnen veilig uitgevoerd worden buiten het ziekenhuis.

In die gevallen dat de symptomen bij een patiënt grotendeels subjectief zijn, wordt een oorzaak – effectrelatie slechts dan vastgesteld wanneer drie cross-over beproevingen zijn uitgevoerd die verergering van de symptomen, alleen gedurende de allergeen blootstelling, aantonen.

 

Orale Testen voor stoffen dat geen voedsel is.

Orale testen kunnen ook een hulp zijn bij de diagnose voor de gevoeligheid voor aspirine, sulfiet en andere medicijnen, waar de gevoeligheid niet op IgE basis is. In zulke omstandigheden zal huidtest of RASTest zinloos zijn.

 

Diagnose van Voedselallergie

Dit is een onderwerp van veel verwarring, tegenspraak en misverstanden.

Inname van voedsel, gewoonlijk vis, garnalen, noten, speciaal pinda, eieren, melk en aardbeien kunnen allergische symptomen zoals angio-oedeem, urticaria, astma of ernstige systemische anafylactische reacties binnen minuten uitlokken.

 

Deze directe reacties, gebaseerd op het Type 1 allergie kan gediagnosticeerd worden door de anamnese en bevestigd worden door RAST (IgE of s.IgE) of indien nodig door huidpriktesten.

Huidpriktesten en RAST-test voor de diagnose van voedselallergie hebben een zeer hoge negatieve voorspellende waarde voor directe gevoeligheid, en een erg lage positieve voorspellende waarde vergeleken met DBPCFC (dubbel blinde placebo gecontroleerde voedsel provocatie).

 

Een negatieve huidpriktest of RAST-test voorspelt met ongeveer 97% zekerheid dat het geteste voedsel niet de oorzaak van de symptomen was, maar alleen in die gevallen bij atopische ziektebeelden en waar directe hypersensitieve voedselallergische reacties zijn betrokken. Ze hebben geen voorspellende rol in andere voedselreacties zoals met voedseladditieven.

Zowel de huidtest als de RAST-test meten hetzelfde ding. RAST-testen hebben geen voordeel boven huidtesten.

Het totaal combineren van de uitslagen van beide testen verhogen niet de accuraatheid.

 

De voedselallergeenextracten, die momenteel verkrijgbaar zijn, zijn niet gestandaardiseerd en kunnen instabiliteit vertonen. Allergenenextracten, zoals van fruit en peulvruchten degraderen snel zodat testen met verse voedselextracten vals-negatieve resultaten vermijden.

 

Een alternatief is de huidpriktest met onbewerkt vers voedsel. Deze methode wordt regelmatig gebruikt, met sterke positieve resultaten nadat de commerciële extracten een negatieve uitslag lieten zien.

 

Bij kleine kinderen met Atopisch Dermatitis, heeft een derde reacties op voedsel, waarvan ei, pinda, koemelk, soja, vis en tarwe de meest algemene oorzaken zijn.

 

Voorzichtigheid is juist nodig bij patiënten die anafylactisch kunnen reageren op voedsel. Bij deze patiënten moet de huidpriktest alleen gedaan worden in een gespecialiseerde kliniek / ziekenhuisomgeving.

 

 

De “gouden standaard” voor de diagnose van voedselallergie is het afnemen van een juiste anamnese; evt. huidpriktesten en/of bloedonderzoek op sIgE; vermijding (eliminatie) en provocatie (bij voorkeur dubbel blind placebo gecontroleerd), waarna de arts tot een gedegen diagnose kan komen.