|
|
Voedselallergie
- 1 |
INHOUD van deze pagina:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hier kan uw
advertentie staan! |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(vooral pinda en noten) |
|
|
NSAIDs (pijnbestrijders) penicilline, anesthesiemedicatie, sommige intraveneuze
injectievloeistoffen die tijdens röntgenbestraling
geïnjecteerd worden. |
|
|
normaal zullen de
steken van bepaalde insecten alleen maar een beetje pijn doen en wat ongemak
geven. Maar soms kan insectengif een zeer ernstige reactie geven. |
|
|
eiwitten van het natuurlatexsap kunnen aanleiding geven tot een allergische reactie
bij contact met slijmvliezen (operaties, tandarts); deze allergie wordt met
name gezien bij mensen die regelmatig in contact zijn geweest met
latexproducten, zoals kinderen die op jonge leeftijd vaak zijn geopereerd
(spina bifida) en werkers in de gezondheidszorg. |
|
|
|
|
| Mastocytose; |
bij deze zeldzame ziekte is er een teveel aan mestcellen die grote
hoeveelheden histamine vrij kunnen maken. De diagnose wordt vermoed bij een
verdachte anamnese, een verhoogd serumtryptase en een verhoogd
methylhistamine in de urine en wordt uiteindelijk bevestigd met een positief
huid- en / of beenmergbiopt waarbij een teveel aan mestcellen wordt
gezien. |
| Inspanning: |
stijging van de lichaamstemperatuur (zware inspanning, koorts) kan in
zeldzame gevallen anafylactische klachten veroorzaken. Soms is deze vorm van
anafylaxis een uiting van een voedselallergie |
| Koude: |
daling van de
lichaamstemperatuur (ijskoud drinken, zwemmen in koud water,
airconditioning) kan eveneens in zeldzame gevallen anafylaxis geven. |
| Idiopathisch: | Hiervan spreekt men als alle andere oorzaken van anafylaxis na uitgebreide vragenlijsten en aanvullend onderzoek uitgesloten zijn |
Atopisch Syndroom
Inleiding
Het Atopisch Syndroom is volgens de CBO-consensus Diagnostiek van
het Atopisch Syndroom (1987) een samenstel van ziektebeelden, zoals
astma, atopisch eczeem en Pollinosis, waaraan waarschijnlijk een
erfelijke aanleg ten grondslag ligt. Op basis van deze erfelijke
aanleg is de kans op een Immunoglobuline (IgE) gemediëerde allergie
groot. Allergie is volgens de CBO-consensus: ‘een in kwalitatieve
zin veranderde gevoeligheid op basis van een immunologisch proces
voor een stof die van buiten het menselijk lichaam afkomstig is.’
Deze immunologische processen worden door Gell en Coombs ingedeeld
in vier typen (welke soms in een of meerdere combinaties tegelijk
voorkomen).
Type I allergie (IgE-gemediëerde allergie; allergie van het
onmiddellijke type)
Dit type allergie wordt veroorzaakt doordat bij reeds eerder
gesensibiliseerden het gevormde IgE is gebonden aan mestcellen in
onder andere de huid, de membranen van het oog, de neus, de mond, de
luchtwegen, het darmkanaal en aan de basofiele granulocyten in de
bloedbaan. Doordat het binnendringende allergeen reageert met het
celgebonden IgE vindt er een degranulatie van deze cellen plaats,
waardoor grote hoeveelheden (ontsteking-)mediatoren vrijkomen, zoals
bijvoorbeeld histamine en ontstekingscellen zoals eosinofiele
granulocyten worden aangetrokken. De optredende reacties vinden
plaats binnen vijf tot tien minuten na contact met het allergeen. De
hoogte van de IgE-spiegel is min of meer gecorreleerd met de ernst
van de klinische verschijnselen. Naast het IgE zijn ook andere
factoren medebepalend voor de ernst van de klinische verschijnselen,
zoals de duur en intensiteit van de blootstelling aan het allergeen,
de gevoeligheid van het doelorgaan en de gevoeligheid van de
mestcellen voor de vrijgifte van mediatoren. De prevalentie van zo’n
IgE-gemediëerde allergie is groot en wordt momenteel geschat op 15
tot 20% van de bevolking. Ongeveer 80% van alle allergieën heeft
betrekking op de luchtwegen, de resterende 20% bestaat uit
allergieën met betrekking tot de huid en het maag-darmkanaal.
Allergie is een sterk in omvang toenemende afwijking. Uit
Zwitserland zijn betrouwbare cijfers voorhanden over de toename van
hooikoorts (Pollinosis): in 1926 kwam dit voor bij 1% van de
Zwitsers, in 1950 bij 3 tot 4%, in 1996 bij 15 tot 20%. De
belangrijkste pijler van de diagnostiek is de anamnese. Daarnaast
kan het in de bloedbaan circulerende totaal IgE of het
allergeenspecifieke IgE worden bepaald. De bepaling van het totaal
IgE heeft nauwelijks waarde voor de diagnostiek van type 1
-allergie. Alleen als de allergeenspecifieke IgE-bepalingen negatief
zijn, kan een verhoogde totaal IgE-spiegel wijzen op een
IgE-gemediëerde allergie ten opzichte van een of ander zeldzaam
voorkomend allergeen. De aanwezigheid van een specifiek IgE tegen
een bepaald allergeen kan worden aangetoond met de Radio Allergo
Sorbent Test (RAST) of een soortgelijke test met een
niet-radioactief label. De test kan worden uitgevoerd als screentest
met meerdere allergenen tegelijk of, als er op grond van de anamnese
een vermoeden is van een bepaald oorzakelijk allergeen, direct met
dit allergeen.
Type II allergie (Cytotoxische allergie)
Bij dit type allergie reageert een celgebonden antigeen met
antistoffen van het type IgG of IgM met als gevolg lysis van de cel.
Voorbeeld: bloedgroepreacties.
Type III allergie (immuuncomplex-ziekte)
Bij dit type allergie reageren in het bloed circulerende antigenen
met antistoffen van het type IgG of IgM tot immuuncomplexen,
waardoor zo’n 6 tot 8 uur na contact met het allergeen klinische
verschijnselen ontstaan. Voorbeelden: reacties op schimmels
(boerenlong), excrementen van vogels (duivenmelkerziekte),
serumziekte.
Type IV allergie (cellulaire allergie)
Bij dit type allergie reageren gesensibiliseerde T-lymfocyten met
het allergeen waardoor zich na 24 tot 48 uur een
ontstekingsinfiltraat ontwikkelt. Voorbeelden: tuberculine
huidreactie, contacteczeem door nikkel- of chroomzouten.
Onderstaand wordt vanwege de prevalentie alleen de diagnostiek van
de IgE-gemedieerde allergieën besproken.
De diagnostiek
van IgE-gemediëerde inhalatieallergieën
De voornaamste inhalatieallergenen
zijn huisstofmijt, graspollen, berkenpollen, katten- en
hondenepitheel (en -speeksel).
Vier op de tien Nederlandse gezinnen hebben ten minste één huisdier.
De bijdrage van andere inhalatie-allergenen zoals kruiden, andere
bomen en schimmels, is hoogstens enige procenten en praktisch te
verwaarlozen.
Van de kruidpollenallergie is de belangrijkste die voor pollen van
Artemisia (Bijvoet; hoofdbloeiperiode augustus). Een
meerderheid van deze kruidallergische personen is ook allergisch
voor graspollen.
Een bijvoet-pollenallergie gaat vaak samen met een allergie voor
voedingsmiddelen. De Groot et al. (1990) vonden bij monsters die
naar het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst
Amsterdam waren ingestuurd, de volgende frequentie van
IgE-positiviteit:
|
- huisstofmijt 34,2%, - graspollen 20,3%, - kat 15,3%, - hond 8,6%, - schimmels ± 4% (mondelinge mededeling). |
In een epidemiologische studie werd in Nederland (1996) bij
willekeurige volwassenen onder de 44 jaar de volgende frequentie van
huidtestpositiviteit vastgesteld:
|
- huisstofmijt 21,8%, - graspollen 12,2%, - berkenpollen 10,9%, - kat 6,3%, - hond niet bepaald (uit andere bronnen: vermoedelijk iets lager dan voor katten), - de veel voorkomende schimmels Cladosporium en Alternaria 1,8 resp. 2,6%, - olijf 2,3%. |
Dat schimmelallergie nauwelijks van betekenis is, is ook vastgesteld
door Beaumont et al. (1985), die bij poliklinische astmatische
patiënten een prevalentie van sensibilisering van 5% vaststelden in
huidtests met een groot aantal schimmelextracten. Bovendien stelden
zij vast dat een sensibilisatie tegen schimmels zelden geïsoleerd
wordt aangetroffen, maar doorgaans gepaard gaat met een
sensibilisatie tegen andere allergenen, zoals huisstofmijt en
graspollen. Bij jeugdige poliklinische patiënten met astmaklachten
stijgt het percentage van sensibilisering (positieve huidtest) voor
schimmels in vergelijking met volwassenen (Kauffman).
Beroepsallergie
Een geïsoleerde schimmelallergie kan een beroepsziekte zijn bij
champignon- en tomatenkwekers.
Daarnaast dient men er op bedacht te zijn dat bij allergie voor
vogels en schimmels IgG-antistoffen (de zogeheten precipitinen) vaak
een rol spelen: type III allergie.
Een andere bekende beroepsziekte is een IgE-gemediëerde allergie bij
bakkers. Ongeveer 10% van alle bakkers is allergisch voor
tarwemeel en 7% heeft een allergie voor α-amylase, een aan meel
toegevoegd enzym. Op proefdierenlaboratoria is zo’n 10 tot 20% van
de medewerkers allergisch voor muizen.
Onder operatiekamer- en laboratoriumpersoneel komt veelvuldig
latexallergie voor (14 % van de operatiekamermedewerkers in het
Dijkzigt Ziekenhuis Rotterdam), die via het ingeademde
handschoenpoeder ook tot inhalatieallergische verschijnselen kan
leiden. Een latexallergie (systemisch of lokaal) gaat in zo’n 50%
van de gevallen gepaard met een allergie voor plantaardige
voedingsmiddelen.
Onder schilders komt ongeveer 5-10% beroepsastma voor ten
gevolge van verharders in de verf (isocyanaten).
In de farmaceutische en zeepmiddelindustrie treedt soms een
allergie op voor toegevoegde microbiologische enzymen, in de
voedingsindustrie voor bijvoorbeeld kippenei-eiwitten.
Een IgE-bepaling kan al bij pasgeboren baby’s worden gedaan. Op zeer
jonge leeftijd overheersen de voedselallergenen; vanaf de leeftijd
van twee jaar is er een sterke toename van allergie voor
inhalatieallergenen.
In onderstaande tabel is de
frequentie van voeding- en inhalatieallergieën in voor analyse
ingestuurde sera onder zeer jonge kinderen opgenomen.
Tabel. Percentage RAST-positieve sera voor enkele voeding-
en inhalatieallergenen van sera van kinderen van 0-4 jaar (van
Toorenenbergen et al. 1991).
| Leeftijd in jaren | 0 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| huisstofmijt | 4 | 7 | 18 | 27 | 27 |
| graspollen | 3 | 0 | 3 | 12 | 16 |
| kat | 6 | 10 | 8 | 16 | 13 |
| hond | 1 | 5 | 3 | 2 | 16 |
| pinda | 20 | 5 | 5 | 9 | 3 |
| kippenei | 20 | 10 | 8 | 9 | 3 |
| koemelk | 13 | 10 | 3 | 7 | 4 |
Inhalatieallergiescreening
met behulp van een inhalatieallergenenmengsel
Met een dergelijke screeningtest wordt met een mengsel van
allergenen in één analysegang gereageerd op het voorkomen van een of
meerdere soorten IgE-antilichamen tegen de allergenen van het
testmengsel. Het resultaat van de allergeenspecifieke IgE-bepaling
met zo’n mengsel van allergenen wordt bijvoorbeeld in de
CAP-Phadiatoptest® (Phadia, Nieuwegein, Nederland) uitgedrukt in een
verhoudingsgetal, waarbij de IgE-binding in het patiëntenserum wordt
vergeleken met die van een referentieserum. Wanneer het quotiënt >
1,0 is, dan is de uitslag positief. Naarmate het quotiënt hoger is,
is de hoeveelheid specifiek IgE hoger, evenals de kans op klinische
reacties. Huidtests en laboratoriumtests correleren voor
inhalatieallergenen zeer goed met elkaar en dienen niet naast elkaar
te worden gebruikt. De interpretatie van de resultaten van een
IgE-antistof-bepaling is relatief eenvoudig voor de belangrijkste
inhalatie-allergenen. Mits de bepaling in een voldoende gevoelige
vorm wordt uitgevoerd, wordt bij 95% van de patiënten met een
klinisch relevante allergie een positieve uitslag verkregen.
Met de CAP-Phadiatop®-test worden
IgE-antistoffen aangetoond tegen huisstofmijt en/of graspollen en/of
pollen van boomsoorten (voornamelijk berk) en/of kruiden en/of
epitheel van respectievelijk kat, hond en paard en/of een aantal
schimmels; het Phadiatop®-mengsel bevat geen extracten van
Aspergillus fumigatus, epitheel van knaagdieren of vogelveren
(mededeling Pharmacia en Upjohn) De voorspellende waarde van een
negatieve testuitslag bedraagt circa 95% (geen IgE-antistoffen tegen
een bepaald allergeen aanwezig); de positief voorspellende waarde is
zo’n 98%. Door Smithuis (persoonlijke mededeling) is vastgesteld dat
van de 500 onderzochte Phadiatop®-positieve patiënten 97,4% positief
waren voor één of meerdere van de volgende inhalatie-allergenen:
huisstofmijt 71%, graspollenmix 62%, berkenboompollen 48%,
kattenepitheel 31% en hondenepitheel 29%. De resterende paar
procenten worden vermoedelijk veroorzaakt door voornamelijk
schimmel- en knaagdierallergenen. Indien er een duidelijke anamnese
is, dan kan, indien noodzakelijk, het vermoeden van een bepaald
allergeen direct getoetst worden met een RAST met alleen dit
allergeen. Is het vermoeden van het oorzakelijke allergeen niet zo
duidelijk, dan kan vanwege de kostenbesparing beter eerst de
Phadiatop®-(of voedselmix-)test worden aangevraagd in plaats van
twee à drie afzonderlijke CAP-RAST’s.
Referentiewaarde:
negatief
(CAP-Phadiatop® <
1,0).
De test
met behulp van individuele
allergenen
Is de Phadiatop®-test positief, dan kan worden volstaan met
uitsplitsing over de vijf voornaamste allergenen: huisstofmijt,
graspollen, berkenpollen, katten- en hondenepithalia (zie 5.2.1.).
Is er een duidelijke anamnese, dan kan worden volstaan met alleen
een test met het verdachte allergeen.
Het vinden van een verhoogde allergeenspecifieke IgE-spiegel wil
zeggen dat de patiënt gesensibiliseerd is voor dat allergeen en dat
hoe hoger de spiegel is, hoe groter de kans is op klinische
reacties.
Voor de diagnostiek van huisstofmijtallergie kan worden volstaan met
testen met Dermatophagoides (D.) pteronyssinus. Deze mijt komt in
onze streken het meeste voor en vertoont een sterke kruisreactie met
de andere mijtensoorten, zoals D. farinae, D. microceras en
voorraadmijten. Huisstofmijten zijn het gehele jaar in de menselijke
woonomgeving aanwezig.
De belangrijkste bloeiperiode van grassen is van mei tot eind juli.
Er bestaat een grote onderlinge kruisreactiviteit tussen de
verschillende graspollensoorten, zodat in plaats van testen met een
graspollenmix ook getest kan worden met een (goedkopere) enkele
graspollensoort bijvoorbeeld Poa pratensis. Berkenbomen bloeien van
eind maart begin april tot begin mei, afhankelijk van de
weersomstandigheden in het voorjaar. Berkenboompollen vertoont een
sterke kruisreactiviteit met hazelaarpollen (bloeitijd januari,
februari) en elzenpollen (bloeitijd februari, maart). De hazelaar en
els zijn botanisch nauw verwant aan de berk. De hoeveelheid pollen
van deze boomsoorten en daarmee de klinische klachten variëren van
jaar tot jaar sterk door wisselende klimatologische omstandigheden.
Een allergie voor berkenpollen gaat in 20 tot 50% van de gevallen
gepaard met een allergie voor voedingsbestanddelen die verwante
moleculaire structuren bevatten, zoals (verse) appel, peer, perzik,
kers, hazelnoot, wortel, selderij, sinaasappel, kiwi, meloen, tomaat
en paprika.
Ten aanzien van kattenallergie moet bedacht worden dat dit allergeen
ook voorkomt in huizen (scholen) waar geen kat aanwezig is. Het
kattenallergeen wordt gemakkelijk meegenomen door personen (via
kleren en dergelijke) die wel met katten in contact zijn geweest. In
een studie werd bijvoorbeeld geconstateerd dat bijvoorbeeld in een
kwart van de onderzochte huizen zonder kat als huisdier, toch
kattenallergeen aanwezig was. Voor hondenallergenen geldt hetzelfde.
In Nederland zijn de volgende aantallen huisdieren aanwezig (1999):
2 miljoen katten, 1,3 miljoen honden, 2,4 miljoen zang- en
siervogels (veroorzaken weinig frequent allergie).
Soms zijn patiënten overgevoelig voor een niet-bloeiende (dus geen
stuifmeelvormende), momenteel uitermate populaire potplant, die
zowel in de huiskamer als in openbare ruimtes zijn plaats heeft
gevonden: de Ficus benjamina. Het allergeen is airborne, en door de
botanische verwantschap met de rubberboom treedt er een kruisreactie
op met latexmaterialen.
Het resultaat van de RAST met een enkel allergeen wordt uitgedrukt
in kUa/l en/of in CAP - RAST-klasse 0 tot en met 6.
NB. Het serum IgE bij pollenallergische patiënten kruisreageert soms
met profilinen of glycoproteïnen van andere, voornamelijk
plantaardige producten. De gevonden IgE-waarden zijn meestal veel
lager dan voor het klinisch belangrijke pollenallergeen.
referentiewaarde:
|
Normaal : |
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Phadia CAP-systeem) |
Door een abonnement op Shock
wordt u
geïnformeerd over de ontwikkelingen op het allergie gebied
en bent u beter voorbereid
Meld u hier aan!
U kunt de hier de onderwerpen van het laatste nummer lezen>>