|
|
U bent nu in het Menu: |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Leeftijd in jaren |
0 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| huisstofmijt | 4 | 7 | 18 | 27 | 27 |
| graspollen | 3 | 0 | 3 | 12 | 16 |
| kat | 6 | 10 | 8 | 16 | 13 |
| hond | 1 | 5 | 3 | 2 | 16 |
| pinda | 20 | 5 | 5 | 9 | 3 |
| kippenei | 20 | 10 | 8 | 9 | 3 |
| koemelk | 13 | 10 | 3 | 7 | 4 |
Inhalatieallergiescreening met behulp van een
inhalatieallergenenmengsel
Met een dergelijke screeningtest wordt
met een mengsel van allergenen in één analysegang gereageerd op het
voorkomen van een of meerdere soorten IgE-antilichamen tegen de allergenen
van het testmengsel. Het resultaat van de allergeenspecifieke IgE-bepaling
met zo’n mengsel van allergenen wordt bijvoorbeeld in de
CAP-Phadiatoptest® (Phadia, Nieuwegein, Nederland) uitgedrukt in
een verhoudingsgetal, waarbij de IgE-binding in het patiëntenserum wordt
vergeleken met die van een referentieserum. Wanneer het quotiënt
> 1,0 is, dan is de uitslag positief. Naarmate het quotiënt
hoger is, is de hoeveelheid specifiek IgE hoger, evenals de kans op
ernstiger klinische reacties. Huidtests en laboratoriumtests correleren
voor inhalatieallergenen zeer goed met elkaar en dienen niet naast elkaar
te worden gebruikt. De interpretatie van de resultaten van een
IgE-antistof-bepaling is relatief eenvoudig voor de belangrijkste
inhalatieallergenen. Mits de bepaling in een voldoende gevoelige vorm
wordt uitgevoerd, wordt bij 95% van de patiënten met een klinisch
relevante allergie een positieve uitslag verkregen. Met de
CAP-Phadiatop®-test worden IgE-antistoffen aangetoond tegen
huisstofmijt en/of graspollen en/of pollen van boomsoorten (voornamelijk
berk) en/of kruiden en/of epitheel van respectievelijk kat, hond en paard
en/of een aantal schimmels; het Phadiatop®-mengsel bevat geen
extracten van Aspergillus fumigatus, epitheel van knaagdieren of vogelveren
(mededeling Pharmacia en Upjohn) De voorspellende waarde van een negatieve
testuitslag bedraagt circa 95% (geen IgE-antistoffen tegen een bepaald
allergeen aanwezig); de positief voorspellende waarde is zo’n 98%. Door
Smithuis (persoonlijke mededeling) is vastgesteld dat van de 500
onderzochte Phadiatop®-positieve patiënten 97,4% positief waren voor één
of meerdere van de volgende inhalatieallergenen: huisstofmijt 71%,
graspollenmix 62%, berkenboompollen 48%, kattenepitheel 31% en
hondenepitheel 29%. De resterende paar procenten worden vermoedelijk
veroorzaakt door voornamelijk schimmel- en knaagdierallergenen. Indien er
een duidelijke anamnese is, dan kan, indien noodzakelijk, het vermoeden
van een bepaald allergeen direct getoetst worden met een RAST met alleen
dit allergeen. Is het vermoeden van het oorzakelijke allergeen niet zo
duidelijk, dan kan vanwege de kostenbesparing beter eerst de
Phadiatop®-(of voedselmix-)test worden aangevraagd in plaats
van twee à drie afzonderlijke CAP-RAST’s.
Referentiewaarde: negatief (CAP-Phadiatop® < 1,0).
De test met behulp van individuele allergenen
Is de
Phadiatop®-test positief, dan kan worden volstaan met
uitsplitsing over de vijf voornaamste allergenen: huisstofmijt,
graspollen, berkenpollen, katten- en hondenepithalia (zie 5.2.1.). Is er
een duidelijke anamnese, dan kan worden volstaan met alleen een test met
het verdachte allergeen. Het vinden van een verhoogde allergeenspecifieke
IgE-spiegel wil zeggen dat de patiënt gesensibiliseerd is voor dat
allergeen en dat hoe hoger de spiegel is, hoe groter de kans is op
ernstige klinische reacties. Voor de diagnostiek van huisstofmijtallergie
kan worden volstaan met testen met Dermatophagoides (D.)
pteronyssinus. Deze mijt komt in onze streken het meeste voor en
vertoont een sterke kruisreactie met de andere mijtensoorten, zoals D.
farinae, D. microceras en voorraadmijten. Huisstofmijten zijn het
gehele jaar in de menselijke woonomgeving aanwezig. De belangrijkste
bloeiperiode van grassen is van mei tot eind juli. Er bestaat een grote
onderlinge kruisreactiviteit tussen de verschillende graspollensoorten,
zodat in plaats van testen met een graspollenmix ook getest kan worden met
een (goedkopere) enkele graspollensoort bijvoorbeeld Poa pratensis.
Berkenbomen bloeien van eind maart begin april tot begin mei, afhankelijk
van de weersomstandigheden in het voorjaar. Berkenboompollen vertoont een
sterke kruisreactiviteit met hazelaarpollen (bloeitijd januari, februari)
en elzenpollen (bloeitijd februari, maart). De hazelaar en els zijn
botanisch nauw verwant aan de berk. De hoeveelheid pollen van deze
boomsoorten en daarmee de klinische klachten variëren van jaar tot jaar
sterk door wisselende klimatologische omstandigheden. Een allergie voor
berkenpollen gaat in 20 tot 50% van de gevallen gepaard met een allergie
voor voedingsbestanddelen die verwante moleculaire structuren bevatten,
zoals (verse) appel, peer, perzik, kers, hazelnoot, wortel, selderij,
sinaasappel, kiwi, meloen, tomaat en paprika. Ten aanzien van
kattenallergie moet bedacht worden dat dit allergeen ook voorkomt in
huizen (scholen) waar geen kat aanwezig is. Het kattenallergeen wordt
gemakkelijk meegenomen door personen (via kleren en dergelijke) die wel
met katten in contact zijn geweest. In een studie werd bijvoorbeeld
geconstateerd dat bijvoorbeeld in een kwart van de onderzochte huizen
zonder kat als huisdier, toch kattenallergeen aanwezig was. Voor
hondenallergenen geldt hetzelfde. In Nederland zijn de volgende aantallen
huisdieren aanwezig (1999): 2 miljoen katten, 1,3 miljoen honden, 2,4
miljoen zang- en siervogels (veroorzaken weinig frequent allergie). Soms
zijn patiënten overgevoelig voor een niet-bloeiende (dus geen
stuifmeelvormende), momenteel uitermate populaire potplant, die zowel in
de huiskamer als in openbare ruimtes zijn plaats heeft gevonden: de Ficus benjamina. Het allergeen is airborne, en door de botanische verwantschap
met de rubberboom treedt er een kruisreactie op met latexmaterialen. Het
resultaat van de RAST met een enkel allergeen wordt uitgedrukt in kUa/l
en/of in CAP - RAST-klasse 0 tot en met 6. NB. Het serum IgE bij
pollenallergische patiënten kruisreageert soms met profilinen of
glycoproteïnen van andere, voornamelijk plantaardige producten. De
gevonden IgE-waarden zijn meestal veel lager dan voor het klinisch
belangrijke pollenallergeen (zie 5.3.2.).
Referentiewaarden:
|
|
De diagnostiek van
IgE-gemediëerde
voedselallergieën
Voedselovergevoeligheid wordt onderscheiden
in:
Voedselallergie (frequentie van voorkomen ± 1%).
De reacties zijn
immunologisch van aard, meestal IgE-gemediëerd.
Voedselintolerantie (frequentie van voorkomen ± 1%).
De reacties
zijn enzymatisch (bijvoorbeeld lactasendeficiëntie) of farmacologisch
(biogene aminen) van aard.
Lactasendeficiëntie
Soms is er onvoldoende lactase in de
darm aanwezig (vooral bij niet-blanken), waardoor de lactose in het
voedsel niet voldoende verteerd wordt en in de darm gaat gisten,
waardoor klachten als buikpijn, kramp, misselijkheid, een opgezette buik
en diarree kunnen ontstaan.
De diagnose wordt gesteld met behulp van
een lactose-belastingstest.
Intolerantie voor biogene aminen
Bij sommige mensen schiet
het afbraakmechanisme voor bepaalde in voedsel voorkomende biogene
aminen (zoals histamine, tyramine, etc.) tekort, waardoor klachten
kunnen ontstaan van urticaria, oedeem, maag en darmklachten, benauwdheid
(histamine) of klachten als hoofdpijn en migraine (tyramine en
phenylethylamine). Biogene aminen komen onder andere voor in kaas,
worstsoorten, zuurkool, wijn, bier. Voedsel kan ook bestanddelen
bevatten, die in staat zijn om in het lichaam rechtstreeks histamine
vrij te maken. Deze histamine-vrijmakers komen voor in onder andere
aardbei, vis, schaal- en schelpdieren, cacao, alcohol, enz.
De
diagnose wordt gesteld door Eliminatie-provocatietest.
Voedseladditiva Soms worden klachten veroorzaakt door voedseladditiva als azokleurstoffen, aromastoffen, conserveermiddelen als sulfiet en salicylzuur. De diagnose wordt gesteld door eliminatie-provocatietesten. In dubbelblinde gerandomiseerde, placebogecontroleerde onderzoeken met orale provocatie werd alleen voor sulfiet een causaal verband met voedselovergevoeligheid aangetoond. Voor azo-kleurstoffen, benzoaten, monosodiumglutamaat sorbaten, gebutyleerd hydroxyanisol/gebutyleerd hydroxytolueen was geen verband met medische klachten aantoonbaar. Voor parabenen, kaneel en vanille, waren er onvoldoende gegevens om een conclusie op te baseren (Reus et al. 2000).
Coeliakie De meest voorkomende vorm van voedselintolerantie
bij kinderen is evenwel coeliakie, een abnormale reactie op het eiwit
gliadine, een bestanddeel van gluten, welke voorkomen in tarwe, rogge,
haver, gerst en spelt. De prevalentie in Nederland van herkende
coeliakie bij kinderen is gemiddeld 1 op de 2000 levendgeborenen, de
prevalentie van niet herkende coeliakie (patiënten met atypische,
minimale, niet-gastroenterologische symptomen) ligt bij kinderen van 2
tot 4 jaar tussen de 1 op 200 en 1 op 400 (Cassandra 1999). Ook bij
volwassenen komt niet herkende coeliakie voor. Hin et al. (1999)
concluderen dat bij veel patiënten met coeliakie de diagnose niet door
de huisarts wordt gesteld. De meest voorkomende klacht is de combinatie
van microcytaire anemie en moeheid, terwijl abdominale klachten afwezig
zijn. Rostami (1998) stelt naar aanleiding van een onderzoek bij
‘gezonde’ bloeddonoren dat een huisarts met een gemiddelde
praktijkgrootte zes patiënten met coeliakie kan verwachten. Onder
volwassenen schat hij de prevalentie 1 op 400
Voedselaversie
Psychologische factoren spelen een rol.
IgE-gemediëerde voedselallergie
In Nederland zegt 20-30% van de bevolking overgevoelig te zijn voor
voedingsmiddelen of bestanddelen daarvan. Fruit, chocoladeproducten en
groenten worden het meest genoemd. Het percentage IgE-gemediëerde
allergieën ligt vermoedelijk rond de 0,2 tot 1%; bij zuigelingen en jonge
kinderen ligt dit rond de 3%. In een recente studie in West- en Midden-
Nederland onder kinderen die minstens zes weken borstvoeding hadden gehad,
vonden de Jong et al (1998) op eenjarige leeftijd atopische ziekten bij
10% van deze kinderen, met positieve RAST voor koemelk 5,8%,
kippenei-eiwit 4,4%, huisstofmijt 0,3%, kat 1,7%, hond 0,7%. De diagnose
voedselallergie dient vooral gebaseerd te zijn op de anamnese en wordt
ondersteund door het aanwezig zijn van IgE-antilichamen. De diagnose dient
te worden bevestigd door een orale provocatie-eliminatietest. Bij
zuigelingen en jonge peuters zijn koemelk, kippenei-eiwit en pinda de
meest voorkomende allergenen. Koemelkallergie manifesteert zich meestal in
de eerste drie tot vier levensmaanden en verdwijnt in 90% van de gevallen
binnen drie jaar. Pinda-allergie blijft meestal levenslang. Vanwege de
hogere frequentie van allergie voor deze allergenen bij zuigelingen kan
screening met een voedselmix op koemelk, kippenei-eiwit, vis, pinda, tarwe
en soja zinvol zijn. De leeftijdgrens voor onderzoek is arbitrair op drie
jaar gelegd. Bij zuigelingen met uitsluitend flesvoeding hoeft alleen de
overgevoeligheid op koemelk te worden getest. Voor zuigelingen (kinderen
< 1 jaar) beveelt het Voedingcentrum (voorheen Landelijk Informatiecentrum voor
Voedselovergevoeligheid (LIVO)), zowel als de NHG-Standaard
Voedselovergevoeligheid bij zuigelingen, voor diagnostiek allereerst een
Eliminatie-provocatietest aan.
De testuitslag voor voedselallergenen is veel moeilijker te interpreteren dan voor inhalatie-allergenen. De American Academy of Allergy and Clinical Immunology stelt dat de positief voorspellende waarde van een testuitslag voor een klinische allergie < 50% en de negatief voorspellende waarde > 90% is. Afhankelijk van het soort allergeen en de hoogte van het allergeenspecifieke IgE-gehalte kunnen deze waarden hoger of lager zijn (Smithuis 1993). Vals-positieve uitslagen worden vaak veroorzaakt door kruisreactiviteit met een inhalatieallergeen; zie 5.4.2.
Olsder et al. (1995) vermelden bij hun studie over koemelkeiwitallergie bij kinderen voor de IgE-RAST met koemelkallergeen een positief voorspellende waarde van 65% en een negatief voorspellende waarde van 70% in vergelijking met de gouden standaard: een eliminatie-provocatiedieet.
Voedselallergiescreening met behulp van een
voedselmengsel
Met deze screening wordt met een mengsel van
allergenen in één analysegang gereageerd op het voorkomen van een of
meerdere allergeenspecifieke IgE-antilichamen tegen de allergenen van het
testmengsel. De CAP-fx5voedselmixtest® (Pharmacia en Upjohn) bevat de
volgende allergenen: koemelk, kippenei-eiwit, vis, tarwe, pinda en soja.
De testuitslag wordt uitgedrukt in kUa/l en/of als CAP-RAST-klasse 0 tot
en met 6. Indien de testuitslag positief is, wordt uitgesplitst naar de
eerder genoemde zes allergenen. De voorspellende waarde van de
CAP-voedselmixtest voor een positieve testuitslag op 1 van deze zes
allergenen is 92%, de negatief voorspellende waarde 98% (Van
Toorenenbergen et al. 1998).
Referentiewaarde:
|
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Pharmacia CAP-systeem) > klasse 0; > 0,35 kUa/l |
De test met behulp van individuele allergenen
Is de
voedselmixtest positief, dan kan uitgesplitst worden over het zestal
eerder genoemde allergenen of bij een sterk vermoeden van een oorzakelijk
allergeen, kan direct met dit allergeen worden getest. Vooral reacties op
pinda’s en andere noten (prevalentie in de Verenigde Staten circa 1%)
kunnen levensbedreigend zijn. In een aantal gevallen blijkt (met name bij
volwassenen) dat het aangetoonde specifieke IgE niet primair tegen het
voedselallergeen is gericht, maar tegen een kruisreagerend
inhalatieallergeen. Deze kruisreacties tussen pollenallergenen en vooral
plantaardige voedingsmiddelen worden, voor zover bekend, veroorzaakt door
dezelfde antigene moleculaire structuren of door profiline (een wijd
verspreid eiwit, aanwezig in alle eukaryotische cellen), of door stikstof-
of zuurstofgebonden suikergroepen van glycoprotëinen (Crosssreactive
Carbohydrate Determinants = CCD’s). De kruisreacties met verwante
allergenen of profiline zijn klinisch meestal wel van betekenis, de
kruisreacties met CCD’s niet. Zo gaat een allergie voor berkenboompollen
in zo’n 20 tot 50% van de gevallen gepaard met het orale allergiesyndroom,
dat wil zeggen een reactie in de mond na het eten van verse appel (niet
alle appelsoorten), peer, perzik, kers, hazelnoot, wortel, selderij,
sinaasappel, kiwi. Een zeldzame allergie voor bijvoetpollen (Artemisia
vulgaris; in Nederland wijd verspreid) gaat vaak samen met een allergie
voor tuinkruiden en specerijen en andere planten uit de familie der
Schermbloemigen (selderij, koriander, anijs en wortel, fruit).
Graspolleninhalatieallergie kan soms ook gepaard gaan met een allergie
voor onder andere appel, tarwe, boekweit, tomaat en pinda. Ook zijn er
kruisreacties beschreven tussen latexallergenen en banaan, kiwi, avocado,
tamme kastanje, tomaat, ananas, en pinda. Gezien de complexiteit van
voedselallergie, de beperkte sensitiviteit en specificiteit van de RAST’s
en de geringe prevalentie onder volwassenen, is het laboratoriumonderzoek
door huisartsen beperkt tot voedselallergieonderzoek bij kinderen.
Referentiewaarde:
|
Normaal : |
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Phadia CAP-systeem) |
De diagnostiek van IgE-gemedieerde allergieën
na een insectensteek of -beet
In Nederland krijgen circa 2.000
personen per jaar een overgevoeligheidsreactie na een bijen- of wespen- of
hommelsteek; het aantal sterfgevallen is gelukkig klein: circa twee per
jaar. Imkers en hun inwonende familieleden worden voornamelijk door bijen
gestoken; de ‘gewone’ burgers door wespen. Een bij laat zijn angel zitten
na de steek, een wesp bijna nooit. Hommelsteken beperken zich bijna altijd
tot kwekers, die deze insecten gebruiken voor bestuivingdoeleinden. Met
behulp van een insectengif- RAST kan eventueel bepaald worden welk insect
in het geding is geweest. Reacties op toekomstige steken kunnen evenwel
zeer moeilijk voorspeld worden. De diagnostiek is van specialistische
aard. Ernstige overgevoeligheidsreacties na een insectenbeet (door
bijvoorbeeld mug-speeksel-allergenen) treden zelden op doch zijn wel
beschreven in de literatuur. 5.6 De diagnostiek van
geneesmiddelallergieën Tenminste vier immunologische
reactiemechanismen (zie 5.1) liggen ten grondslag aan allergische reacties
die door geneesmiddelen worden veroorzaakt. Allergische reacties vormen
naar schatting slechts tien procent van de ongewenste effecten van
geneesmiddelen. Penicillinen zijn de meest bekende voorbeelden van type I
allergieën. De frequentie van allergische reacties op penicillinen ligt
tussen de 0,7 en 8 procent. De diagnostiek is van specialistische aard.
De Monchy JGR, Kauffman HF. (Red.) Allergologie. Utrecht:Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1994.
Consensusrapport Diagnostiek van het Atopisch syndroom 1987, Amsterdam: CBO, 1987.
De Groot H, Stapel SO, Aalberse RC. Statistical analysis of IgE-antibodies to the common inhalant allergens in 44496 sera. Annals Allergy 1990;65:97-104.
Rijcken B, Kerkhof M, De Graaf A et al. Europees Luchtweg Onderzoek Nederland. Rijksuniversiteit Groningen, Epidemiologie, Stichting drukkerij Regenboog, 1996.
Beaumont F, Kauffman HF, De Monchy JGR et al. Volumetric aerobiological survey of conidial fungi in the North-East Netherlands II. Comparison of aerobiological data and skin tests with mould extracts in an asthmatic population. Allergy 1985; 40:181-186.
Houba R. Occupational respiratory allergy in bakery workers. Relationships with wheat and fungal -amylase aero-allergen exposure. [Thesis] Wageningen: Landbouwuniversiteit, 1996.
Hollander A. Laboratory Animal Allergy. Allergen exposure assesment and epidemiological study of risk factors. [Thesis] Wageningen: Landbouwuniversiteit, 1997.
Consensusrapport Voedselovergevoeligheid. Utrecht: CBO, 1990.
De Monchy JGR. Consensus Voedselovergevoeligheid. Ned Tijdschr Geneeskd 1991;135:1538-1541.
Wever AMJ,Wever-Hess J, Kramps JA et al. Phadiatoptest, een nieuwe in-vitrotest voor inhahalatie-allergie. Ned Tijdschr Geneeskd 1989;133:70-73.
Crobach MJJS. Evaluatie van de ‘Phadiatop-CAP’ in de huisartsenpraktijk. Ned Tijdschr Geneeskd 1992;136:1836.
Blok GJ, Flikweert DC, Nauta JJP et al. Diagnostiek van IgE-gemedieerde allergie van de bovenste luchtwegen. Ned Tijdschr Geneeskd 1989;133:1076-1080.
Crobach MJJS, Kaptein AA, Kramps JA et al. The Phadiatoptest compared with RAST with the CAP-system; proposal for a third Phadiatop outcome: “inconclusive”. Allergy 1994;49:170-176.
Van Toorenenbergen AW, Van Dijk G. Doelmatigheid van mengsel-RAST’s bij oriënterend serologisch onderzoek van patiënten met een mogelijke allergie. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:855-859.
Bollinger ME, Eggleston PA, Flanagan E et al. Cat antigen in homes with and without cats may induce allergic symptoms. J Allergy Clin Immunol 1996; 97:907-914.
Van Ree R, Van Leeuwen WA, Aalberse RC. How far can we simplify in vitro diagnostics for grass pollen allergy? A study with 17 white pollen extracts and purified natural and recombinant major allergens. J Allergy Clin Immunol 1998;102:184-190.
Consensusrapport Astma bij kinderen. Amsterdam: CBO, 1992.
Crobach MJJS, Jung HP, Toorenburg-Beyer B et al. NHG-Standaard Allergische en hyperreactieve rhinitis. Huisarts Wet 1995;38:216-227.
Geijer RMM, Thiadens HA, Smeele IJM et al. NHG-Standaard COPD en astma bij volwassenen. Diagnostiek. Huisarts Wet 1997;40:416-429.
Dirksen WJ, Geijer RMM, De Haan M. NHG-Standaard Astma bij kinderen. Huisarts Wet 1998; 41:130-143.
Bruijnzeel-Koomen C, Ortolani C, Aas K et al. Adverse reactions to food. Position paper. Allergy 1995;50:623-635.
Reus KEH, Houben GF, Stam M, Dubois AEJ. Voedseladditiva als oorzaak van medische klachten: alleen voor sulfiet verband met astma en anafylaxie aangetoond; resultaten van een literatuuronderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:1836-1839.
Niestijl Janssen JJ, Kardinaal AFM, Huybers G et al. Prevalence of food allergy and intolerance in the adult Dutch population. J Allergy Clin Immunol 1994;93:446-456.
Cassandra GDSC,Mearin ML, Von Blomberg BME et al. An iceberg of childhood coeliac disease in The Netherlands. Lancet 1999;353:813-814.
Hin H, Bird G, Fisher P,Mahy N, Jewell D. Coeliac disease in primary care: case finding study. BMJ 1999; 318:164-167.
Rostami K. Coeliac disease, pitfats in screening. [Thesis] Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1998.
Lucassen PLBJ, De Vries-Oostveen AS, Niebuur HKM et al. NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid bij zuigelingen. Huisarts Wet 1995; 38:178-184.
Commissie ‘Standaard’. Kneepkens, CM, voorzitter. Landelijke standaard voor de diagnose en behandeling van voedselovergevoeligheid bij zuigelingen op het consultatiebureau. Landelijk Informatiecentrum voor Voedselovergevoeligheid (LIVO) 1995.
Van Toorenenbergen AW, Oranje AP, Vermeulen AM et al. De Phadiatop Paediatric: een bruikbare in-vitro-test op een atopische immuunrespons bij zuigelingen en kleuters. Ned Tijdschr Geneeskd 1991; 135:1920-1923.
Douwes AC.Voedselallergie bij kinderen.Ned Tijdschr Geneeskd 1988;132:1388-1392.
Douwes AC, Van Weert-Wattman ML, Folkertsma K et al. Prevalentie van voedselallergie bij Amsterdamse zuigelingen. Ned Tijdschr Geneeskd 1988; 132:1392-1396.
De Jong MH, Scharp-Van der Linden VTM, Aalberse RC et al. Controlled trial of brief neonatal exposure to cow’s milk on the development of atopy. Arch Dis Child 1998;79:126-130.
Bijl AMH, De Jong NW, Mulder PGH et al. Prevalentie van IgE-gemedieerde allergie voor natuurrubberlatex op Rotterdamse operatiekamers. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:1780-1784.
Spieksma FThM. Kruidenpollen: aërobiologie en allergie.Uitgave Pharmacia en Upjohn B.V. Diagnostics 2000; Postbus 17, 3440 AA Woerden.
Kauffman HF. Schimmels en Allergie. Uitgave Pharmacia en Upjohn BV. Diagnostics, 2000.
Smithuis PAO. Betrouwbaarheid van in vivo en in vitro tests bij IgE-gemedieerde voedselovergevoeligheid. Doctoraal scriptie Farmacie, maart 1993.