|

Allergie is een
overgevoeligheidsreactie van het afweersysteem op stoffen van buiten
het lichaam die normaal niet een dergelijke reactie geven. Het
afweersysteem behoort elementen, zoals bacteriën, virussen en andere
microben te vernietigen. De hygiëne hypothese stelt dat door het
huidige hygiëneniveau het afweersysteem te weinig normale “vijanden”
heeft om aan te vallen en richt het afweersysteem zich tegen andere
niet in het lichaam behorende stoffen, zoals stuifmeel en
bepaalde voedingsstoffen.
Bij een allergische reactie komen
bepaalde antistoffen, zoals histamine vrij in het lichaam die de
allergische klachten veroorzaken.
Voordat hierin gegaan
wordt op wat een allergie is wordt eerst uitgelegd hoe je allergisch
wordt. 
Zoals je hiernaast
kunt zien is het ontwikkelen van een allergie een twee-trapsproces.
Na blootstelling kun je eerst gesensibiliseerd worden. pas als je
gesensibiliseerd bent dan kan de tweede stap gezet worden en kan je
een allergie ontwikkelen.
Om gesensibiliseerd te raken zijn
een aantal factoren belangrijk:
Hygiëne hypothese
Over het ontstaan van allergieën is dus nog niet veel bekend. Er zijn
allerlei gedachten hierover en een van de meest gangbare is de hypothese
van de hygiënehypothese, deze gedachtegang legt een oorzakelijk verband
met het ontstaan van allergieën in het gegeven dat de omgeving en
levensomstandigheden van de mens steeds schoner zijn geworden en dat er
daardoor een onbalans is ontstaan waardoor het lichaam (afweersysteem)
zich gaat keren tegen stoffen die eigenlijk geen gevaar voor het lichaam
zijn.
Atopisch syndroom
Daarnaast is gebleken dat er ook erfelijke
componenten zijn bij het ontstaan van allergieën, dit noemt men atopie.
Statistisch onderzoek wijst uit dat de kans dat er binnen een gezin waar
de ouders geen allergieën hebben (om het even welke allergie (inhalatieallergie
zoals hooikoorts, astma, contactallergie, etc.) ) er toch nog zo'n 10%
kans bestaat dat een nieuw geboren kindje een allergie gaat ontwikkelen
(om het even welke allergie).
Als één van de ouders een allergie heeft (gehad) dan stijgt de kans naar
20%; als één van de ouders én een ander kind (of kinderen) binnen het
gezin een allergie heeft (gehad) dan stijgt de kans naar 30 - 40%; maar
als beide ouders een allergie hebben (gehad) dan is de kans gestegen
naar 70 - 80%.
Het
Atopisch Syndroom is volgens de CBO-consensus Diagnostiek van het Atopisch
Syndroom (1987) een samenstel van ziektebeelden, zoals astma, atopisch
eczeem en Pollinosis, waaraan waarschijnlijk een erfelijke aanleg ten
grondslag ligt.
Op basis van deze erfelijke aanleg is de kans op een
Immunoglobuline (IgE) gemediëerde allergie groot.
De definitie van Allergie is volgens de CBO-consensus:
"Een in kwalitatieve zin veranderde gevoeligheid op basis
van een immunologisch proces voor een stof die van buiten het menselijk
lichaam afkomstig is."
Deze immunologische processen worden door Gell en
Coombs ingedeeld in vier typen (welke soms in een of meerdere combinaties
tegelijk voorkomen).

Typen allergische reacties
|
Type I: |
IgE-antistof gemediëerde allergie, waarvan Anafylaxis een extreem voorbeeld is.
|
|
Type II: |
IgG-antistof gemediëerde allergische reactie
|
|
Type III: |
allergische reactie die zich richt naar oppervlakte
antigenen op weefsels |
|
Type IV: |
cel-gemediëerde allergische reactie
|
Type I allergie (IgE-gemediëerde allergie; allergie van het
onmiddellijke reactie type)
Dit type allergie wordt veroorzaakt doordat bij
reeds eerder desensibiliseerden het gevormde IgE is gebonden aan
mestcellen in onder andere de huid, de membranen van het oog, de neus,
de mond, de luchtwegen, het darmkanaal en aan de basofiele granulocyten
(een ander type cellen) in de bloedbaan. Doordat het binnendringende allergeen reageert met het
celgebonden IgE vindt er een degranulatie van deze cellen plaats,
waardoor grote hoeveelheden chemische stoffen ((ontsteking-)mediatoren) vrijkomen, zoals
bijvoorbeeld histamine en ontstekingscellen zoals eosinofiele
granulocyten. De optredende reacties vinden plaats
binnen vijf tot tien minuten na contact met het allergeen.
De hoogte van
de IgE-spiegel is min of meer gecorreleerd met de kans op klinische
verschijnselen. Naast het IgE zijn er andere factoren bepalend voor
de ernst van de klinische verschijnselen, zoals de duur en intensiteit
van de blootstelling aan het allergeen, de gevoeligheid van het
doelorgaan en de gevoeligheid van de mestcellen voor de vrijgave van
mediatoren.
De prevalentie van
deze IgE-gemediëerde allergie is groot en
wordt momenteel geschat op 15 tot 20% van de bevolking. Ongeveer 80% van
alle allergieën heeft betrekking op de luchtwegen, de resterende 20%
bestaat uit allergieën met betrekking tot de huid en het
maag-darmkanaal.

Toename
allergie:
Allergie is een sterk in omvang toenemende afwijking.
Uit Zwitserland zijn betrouwbare cijfers voorhanden over de toename van
hooikoorts (Pollinosis): in 1926 kwam dit voor bij 1% van de Zwitsers,
in 1950 bij 3 tot 4%, in 1996 bij 15 tot 20%.
Diagnose:
De belangrijkste pijler
van de diagnostiek is de anamnese. Daarnaast kan het in de bloedbaan
circulerende totaal IgE of het allergeenspecifieke IgE worden bepaald.
De bepaling van het totaal IgE heeft nauwelijks waarde voor de
diagnostiek van type 1 -allergie. Alleen als de allergeenspecifieke IgE-bepalingen negatief zijn, kan een verhoogde totaal IgE-spiegel
wijzen op een IgE-gemediëerde allergie ten opzichte van een of ander
zeldzaam voorkomend allergeen.
De aanwezigheid van een specifiek IgE
tegen een bepaald allergeen kan worden aangetoond met de Radio Allergo
Sorbent Test (RAST) of een soortgelijke test met een niet-radioactief
label. De test kan worden uitgevoerd als screentest met meerdere
allergenen tegelijk of, als er op grond van de anamnese een vermoeden is
van een bepaald oorzakelijk allergeen, direct met dit allergeen. Omdat
bepaalde stoffen uit meerdere allergenen bestaat, kan er tegenwoordig ook
bepaald worden of iemand voor specifieke allergeentypen antilichamen heeft
aangemaakt.
IgE-gemediëerde reactie
Hierbij spelen mestcellen een rol. Deze bevatten onder andere
histamineblaasjes. Een tweede hoofdrolspeler is het immunoglobuline
E, een antistof dat normaal een functie heeft bij parasitaire
infecties. Wanneer een allergeen (zoals pinda) zich 2 maal bindt aan
een IgE op de celmembraan van een mestcel, zal deze mestcel zijn
inhoud uitstorten en deze vasoactieve aminen (onder andere
histamine, serotonine en prostaglandine) zullen een aantal
veranderingen veroorzaken in het lichaam:
-
vaatverwijding (vasodilatatie van de bloedvaten in de huid)
-
vernauwing van de bronchiën van de longen
-
afname van de hartactiviteit
Dit geeft tot gevolg:
-
neusklachten: loopneus, niezen, gezwollen neusslijmvlies

-
moeilijke ademhaling: piepende ademhaling
-
rode ogen: conjunctivitis
-
huidveranderingen: roder worden, warmte afgeven, jeuk
-
in ernstige gevallen bloeddrukdaling en shock, in extreme gevallen
zelfs hartstilstand
De primaire therapie bij een hevige acute allergische reactie
(anafylactische reactie) bestaat uit het toedienen van adrenaline
door middel van een adrenaline auto-injector (bijv. Jext® of EpiPen®).
Hierdoor gaan de bronchiën zich weer verwijden, de bloedvaten in de
huid vernauwen (vasoconstrictie) en wordt de activiteit van het hart
gestimuleerd.
Meestal is een allergische reactie niet levensbedreigend:
de meeste mensen die een type-I reactie doormaken, hebben
hooikoorts. Effectieve middelen tegen deze reacties zijn de
antihistaminica die het effect van histamine tegengaan; verder
kunnen preventief onder andere mestceldegranulatieremmers (zoals cromoglicaat), en corticosteroïden worden gebruikt.
Een verschil tussen een anafylactische reactie en een anafylactoïde
reactie is dat men in het eerste geval gesensibiliseerd moet zijn
voor het antigeen, men moet m.a.w. antilichamen (IgE) aanmaken
vooraleer de reactie kan plaats hebben. Men zal dus nooit bij het
allereerste contact met een allergeen (bijvoorbeeld pinda) een
reactie vertonen. Bij anafylactoïde reacties is deze sensibilisatie
niet nodig: de allergenen hebben zelf een vasoactieve werking, wat
histamine simuleert, zoals bijvoorbeeld bijengif bij een bijensteek.

Type II allergie (Cytotoxische allergie) Bij dit type
allergie reageert een celgebonden antigeen met antistoffen van het type
IgG of IgM met als gevolg lysis (afbraak) van de cel.
Deze vorm van allergie, wordt ook wel cytotoxische reactie genoemd,
ontstaat wanneer antilichamen zich gaan richten naar het oppervlak
van cellen en weefsels, op de daar aanwezige antigenen. Zo start
een reeks reacties die uiteindelijk de afbraak van cellen of weefsel
veroorzaakt.
Een typisch voorbeeld is een bloedtransfusie tussen
personen met een niet-verenigbare bloedgroep. Dit leidt tot
agglutinatie van rode bloedcellen en in ernstige gevallen zelfs tot
de dood.
Deze reactie betreft ook vaak een allergische reactie op een
geneesmiddel. Het allergeen bindt aan een lichaamscel en verandert
de eiwitsamenstelling van het membraan. Hierdoor wordt de
lichaamscel als lichaamsvreemd herkend en wordt deze aangevallen
door het eigen immuunsysteem. Het betreft hierbij een direct cytotoxische reactie door IgG of IgM (antilichamen). Schade wordt
veroorzaakt door neutrofiele granulocyten en natural-killer cellen.
De neutrofiele granulocyten laten proteolytische enzymen vrij die
een ontstekingsreactie veroorzaken. Natural-killer-cellen laten
granules vrij die ervoor zorgen dat de cel lyseert (stukgaat).
Type III allergie (immuuncomplex-ziekte)
Bij dit type
allergie reageren in het bloed circulerende antigenen met antistoffen
van het type IgG of IgM tot immuuncomplexen, waardoor zo’n 6 tot 8 uur
na contact met het allergeen klinische verschijnselen ontstaan.
Voorbeelden: reacties op schimmels (boerenlong), excrementen van vogels
(duivenmelkerziekte), serumziekte.
Type IV allergie (cellulaire allergie)
Bij dit type
allergie reageren gesensibiliseerde T-lymfocyten met het allergeen
waardoor zich na 24 tot 48 uur een ontstekingsinfiltraat ontwikkelt.
Voorbeelden: tuberculine huidreactie, contacteczeem door nikkel- of
chroomzouten.
Deze allergie ontstaat door activatie van T-helper/induceer cellen(T-lymfocyten), die via de productie van diverse cytokinen het
betreffende antigeen elimineert, maar tevens weefselschade
veroorzaakt.
Deze gemediëerde immuunreactie is voornamelijk gericht tegen
lichaamsvreemde cellen, zoals cellen die door een virus zijn
geïnfecteerd of cellen van een transplantaat. Bij deze vorm spelen
zowel de T-helpercel (Th-cel) als de cytotoxische T-cel (Tc-cel) een
rol. Afhankelijk van de route kunnen twee reacties worden
onderscheiden.
T-celcytotoxie (bij bijvoorbeeld bloed transfusie)
Een binding van CD4+-T-helper/induceercellen aan het antigeen (samen
met het HLA-klasse-II-molecuul), zal via de productie van IL-1 en
IL-2 leiden tot het ontstaan van CD8+-Tc-cellen die de doelwitcellen
via een extracellulair mechanisme kunnen doden. Deze reactie treed het
meest op bij virus geïnfecteerde cellen zoals bij hepatitis B. Deze
behoort niet tot de allergische reacties. Maar het tweede mechanisme
hoort wel tot de allergische reacties:

Vertraagd-type-overgevoeligheid
Deze reactie wordt gemediëerd door lymfocyten en macrofagen. Wanneer
een helpercel bindt aan een antigeen zal deze lymfocyt worden
gestimuleerd tot het uitscheiden van chemokinen en cytokinen. Dit
gebeurt waarschijnlijk door een aparte populatie van T-helpercellen.
De chemokinen kunnen lymfocyten, monocyten en andere
ontstekingscellen aantrekken en activeren. De belangrijkste
ontstekingscel is de geactiveerde macrofaag welke op zijn plek wordt
gehouden door macrofagen-migratie-inhibitiefactor (MIF). Deze
macrofaag kan met mediatoren weefselschade veroorzaken en
gefagocyteerd materiaal verteren. De doelwitcel wordt gedood, maar
gaat gepaard met weefselbeschadiging en een ontstekingsreactie.
De meest voorkomende
type-IV-vertraagd-overgevoeligheidsreactie is de huidreactie die dan
gepaard gaat met een eczeem, rode en geïrriteerde huid. Deze kan
bijvoorbeeld door een overgevoeligheid van latex komen
(handschoenen/condooms). .
Allergenen
Dit is een verzamelnaam voor de
stoffen die in staat zijn bij mensen een allergische reactie op te
wekken. Er zijn duizenden verschillende soorten allergenen bekend,
maar de allergenen die het meest bekend zijn: allergenen van de
huisstofmijt en stuifmeel (pollen).
Soorten allergie
We kennen o.a. de volgende groepen
allergieën:
Allergieën volgens
blootstellingsroute:
*
Inhalatieallergie (o.a.
huisstofmijtallergie, hooikoorts, latex)
*
Contactallergie (o.a.
nikkel, latex, chemische stoffen)
Allergieën volgens bron:
*
Voedselallergie (o.a. koemelk,
ei, pinda, noten, garnalen)
*
Insectenallergie (o.a. bijen en
wespen)
*
Geneesmiddelenallergie
(o.a.
penicilline, pijnstillers)
Allergische sensibilisatie
U moet al eens eerder in contact zijn
geweest met een bepaalde allergeen, voordat u in staat bent ergens
allergisch op te reageren. Het afweersysteem ontwikkelt soms al na
het eerste contact de mogelijkheid op deze allergeen allergisch te
reageren. Dit is allergische sensibilisatie. Het immuunsysteem
herkent die stof als een lichaamsvreemde stof en reageert vervolgens
op deze “vijand”. Sommige allergenen veroorzaken gemakkelijker en
sneller een allergie, ook is aanleg voor een allergie en de
lichamelijke conditie van het lichaam een belangrijke factor. Mensen
kunnen zelfs na vele jaren zonder problemen met een bepaalde stof
plotseling een allergie tegen deze stof ontwikkelen.
Allergische symptomen
Symptomen zijn niet alleen
afhankelijk van het soort allergie, maar ook van het type allergie
en de plaats waar het allergeen contact maakt met het lichaam.
(huid, luchtwegen, spijsverteringskanaal).
Meer informatie over de
allergische symptomen vindt u bij de info over de betreffende
allergie.
Is het allergie?
Om vast te stellen of het om allergie
gaat zal de huisarts in eerste instantie uitgaan van wat de patiënt
hem vertelt, ofwel de anamnese. Als uit de anamnese blijkt dat de
klachten door een allergische reactie kunnen worden veroorzaakt zal
de huisarts een gericht allergologisch onderzoek laten doen om te
zien wat precies de allergische reactie veroorzaakt. Er zijn
verschillende soorten allergietesten:
Plakproeven:
Wanneer een contactallergie wordt
vermoed kunnen de zogenaamde epicutane allergietesten of plakproeven
worden gedaan. De verdachte allergenen worden op de rug met behulp
van pleisters aangebracht. Na 48 uur worden de pleisters verwijderd
en 24 uur daarna wordt de huid gecontroleerd. Op de plek waar de
huid in aanraking is geweest met de allergenen waar men allergisch
voor is ontstaat roodheid en zwelling, soms zelfs een blaar. Alle
stoffen kunnen in principe worden getest die er van verdacht worden
een contactallergie te veroorzaken. In Europa is een standaardreeks
van te testen stoffen ontwikkeld, waar Europeanen het meest
allergisch op reageren: de Europese Standaardreeks. Plakproeven
worden niet toegepast voor de diagnose van voedselallergie.
Priktesten:
Priktesten
zijn zinvol wanneer men een
voedselallergie of inhalatieallergie vermoed. Een druppeltje
allergeenextract wordt op de huid gedruppeld en vervolgens wordt met
een naald door het druppeltje heen in de huid geprikt, zodat er een
kleine hoeveelheid van de allergene stof in de huid terecht komt.
Binnen 15-45 minuten na behandeling ontstaat bij een allergische
reactie roodheid en zwelling van de huid op de plaats van de
prikplek. Hoe groter de reactie hoe meer de geteste persoon
gesensibiliseerd is voor die bepaalde allergeen.
Bloedtesten:
Voedsel- en inhalatieallergieën
kunnen ook worden vastgesteld door middel van een bloedtest. Men
onderzoekt dan of een bepaald soort eiwitten, het IgE in het bloed
aanwezig is. Deze test noemt men ook wel RAST-test.

Eliminatie-provocatietest:
Bij deze test wordt contact met het
verdachte allergeen geheel gestopt (eliminatie).
Wanneer de klachten verminderen of
verdwijnen, wordt men weer blootgesteld aan het verdachte allergeen
(provocatie). Als de klachten hierdoor weer terugkomen of verergeren
is het bewijs voor de allergie geleverd. Deze test mag uitsluitend
onder supervisie van een arts worden uitgevoerd, want bij
heftige allergische reacties is de aanwezigheid van een
gespecialiseerde arts en middelen ter bestrijding van de reactie noodzakelijk.
Testresultaten
De uitslagen van bovenstaande testen
geven alleen aan of iemand gevoelig is voor het allergeen waarop
getest wordt. Een positieve uitslag wil niet zeggen of iemand
allergisch is. Alleen door een diagnose in combinatie met aan het
allergeen gerelateerde klachten (anamnese) kan gezegd worden of
iemand allergisch is.
Allergie – wat nu?
Wanneer een allergie wordt
vastgesteld dient men het bewuste allergeen te mijden.
Dit betekent soms dat men zijn levens-
en/of eetpatroon geheel dient te wijzigen. Allergieën kunnen een
behoorlijke impact op uw leven hebben, want bij alles wat u doet of eet
kunt u last hebben van of gaat u rekening houden met uw allergie.
Voedselallergie:
Wanneer er sprake is van een
voedselallergie is het samenstellen van de dagelijkse maaltijden een
stuk lastiger, omdat bijvoorbeeld pinda’s en ei in heel veel
beschikbaar voedsel worden verwerkt, zoals in koekjes, pasta’s,
toetjes en vele kant en klaar producten. Begeleiding van een
diëtist is daarom erg belangrijk. Ook kan voedselallergie uw sociale
contacten beperken, want u kunt niet meer zomaar even in een restaurant iets
eten of bij vrienden thuis. Nog altijd dient van te voren goede
afspraken over het eten te worden gemaakt of men dient zelf zijn
eten mee te nemen. Wanneer de voedselallergie kan leiden tot
anafylactische shock is het mogelijk om een Epinefrine bevattende
auto-injector bij zich te dragen. Na blootstelling aan het allergeen
kan men zichzelf met deze prikpen injecteren met Epinefrine.
Hierdoor worden de verschijnselen die de levensbedreigende shock
veroorzaken tegengewerkt, waardoor er meer tijd ontstaat om met
spoed naar het ziekenhuis te gaan.
<lees verder>
Inhalatieallergie:
Wanneer er een inhalatieallergie is
geconstateerd betekent dit dat men zijn leefgewoonten dient te
veranderen en/of zijn leefomgeving dient te saneren, om zo aanraking
met het
allergeen zo veel mogelijk te vermijden. Bij huisstofmijtallergie
kan samen met een longverpleegkundige een saneringsplan worden
opgesteld. Meer informatie over sanering vindt u in het
infogedeelte: Sanering. Bij hooikoorts dient men elk contact met
pollen en
stuifmeel te vermijden. Medicijnen zoals
Antihistaminica voorkomen dat de ontstekingsstoffen die ten gevolge
van de allergie worden losgelaten in de luchtwegen en in de huid nu
in de cellen opgesloten blijven.
<lees verder>
Contactallergie:
Wanneer er sprake is van een
contactallergie moet men elk contact met de allergische stof
vermijden door zijn levenspatroon te veranderen. Soms kan het
betekenen, dat men bepaalde sierraden niet meer kan dragen, soms is
het zelfs noodzakelijk ander werk te zoeken en/of omscholing te
doen, wanneer men allergisch is tegen de producten waar men
dagelijks mee werkt. De bedrijfsarts of Arbodienst kan hierbij
adviseren.
<lees verder>
Insectengifallergie:
Reacties op insectensteken zijn normaal, maar men kan allergisch
zijn voor steken van
leden van de
Hymenoptera
insectenklasse. Terwijl een normale reactie op een insectensteek kan
bestaan uit rood worden van de huid en enige pijn, is een
anafylactische reactie veel serieuzer en kan veranderingen in de
ademhaling en bewusteloosheid inhouden, soms kan een reactie fataal
zijn. Wanneer je ooit een allergische reactie hebt gehad is het
waarschijnlijk dat je weer zal reageren wanneer je blootgesteld
wordt aan het schadelijke insectengif, echter de ernst van de
reactie kan variëren. Wanneer u, of iemand die u kent, een
insectengifallergie heeft, dan zou u moeten leren hoe dit te
voorkomen en hoe insectensteken te behandelen.
Het is voor u van belang om meer te leren over
insectengifallergieën, inclusief informatie over de schadelijke
insecten en wat te doen wanneer iemand is gestoken.
<lees verder>
Medicijnenallergie
<lees verder>
Latexallergie
<lees verder>
|